Historische tijdlijn

Eigenaars in de loop der tijd

^
1662
Allard Poelaert
Allard Poelaert, lakenkoopman uit Leiden, koopt van raadpensionaris Johan de Witt de boerderij Allemansgeest en bouwt het uit tot een buitenplaats.

Allard Poelaert (c.1620-1669), lakenkoopman uit Leiden en getrouwd met Adriana van Groenendijck (1633-1688), koopt van raadpensionaris Johan de Witt (1625-1672) de boerderij Allemansgeest (nu de Corneliahoeve) en bouwt deze uit tot een z.g.n. “speeltuin” (een simpele buitenplaats). Hij laat een vaarsloot langs de Hofweg en het Nicolaaspad aanleggen met een brug over de Heerweg (nu Leidseweg) zodat hij met de schuit vanuit Leiden via de Vliet bij zijn “speeltuin” kon komen. De omgeving stond al in de 15de en 16de eeuw bekend als een “Meent”of “Mient”. Dit is een gemeenschappelijk stuk grond waar meerdere, kortom “alleman”, boeren hun koeien op konden laten grazen. Aangezien het hier om Geestgronden (cultuurgronden in het duinengebied) gaat is het waarschijnlijk dat dit de afleiding is van de naam Allemansgeest.

Allard Poelaert geeft tussen 1665-1669 mogelijk de eerste aanzet tot de bouw van een hoofdhuis op de plek van het huidige hoofdhuis. Het huis had geen verdieping maar verdere details ontbreken.

^
1669
Adriana van Groenendijck
Adriana van Groendijck erft de buitenplaats Allemansgeest na het overlijden van haar man Allard Poelaert.
Na de dood van haar man Allard Poelaert in 1669, ligt de aandacht van Adriana van Groenendijck (1633-1688) vooral bij het voltooien van het “stadspaleis” Rapenburg 6 te Leiden en het besturen van het familiebedrijf.

Bij het overlijden van Adriana in 1688 waren twee van haar vijf kinderen nog in leven. Jan Poelaert (1653-1701) die vrijgezel was en veel handelsreizen naar het buitenland maakte, erft het ouderlijk huis in Leiden. Sara Poelaert (1666-1740) erft de buitenplaats Allemansgeest in Voorschoten.

^
1688
Sara Poelaert en Pieter de la Court van der Voort
Sara Poelaert erft buitenplaats Allemansgeest kort na haar huwelijk met Pieter de la Court van der Voort die de oranjerie en 3 leifruitmuren laat bouwen.
Sara Poelaert (1666-1740), die in 1686 getrouwd was met puissant rijke lakenkoopman Pieter de la Court van der Voort (1664-1739), erft in 1688 de buitenplaats Allemansgeest. Pieter de la Court van der Voort is een fanatieke tuin- en buitenplaatsliefhebber die rond 1700 een oranjerie en 3 verschillende (experimentele) leifruitmuren laat bouwen waarvan de retranchementmuur de meest bijzondere is. Op basis van zijn 40-jarige ervaring met meerdere buitenplaatsen geeft Pieter in 1737 een bekend tuinboek uit dat in meerdere talen is vertaald.
^
1716
Cornelis Denijs
Cornelis Denijs, die zijn vermogen had te danken aan slavenhandel en plantages in Suriname, koopt Allemansgeest.
Cornelis Denijs (c.1665-1736) koopt in 1716 de buitenplaats van Pieter de la Court van der Voort. Inmiddels is de buitenplaats behoorlijk uitgebreid met woonhuis, oranjeplaats, boomgaarden, moestuinen, tuinmanswoning, schuitenhuis, en verdere “plantagien”. Cornelis Denijs, waarschijnlijk een Hugenoot die vanuit La Rochelle (Frankrijk) in Suriname terecht was gekomen. Hij trouwt daar in 1700 met de Nederlandse weduwe Isabella Broen (1673-1714) en komt in 1713 met zijn gezin naar Nederland. Cornelis Denijs heeft zijn vermogen te danken aan de slavenhandel en plantages in Suriname waar hij een belangrijke positie had.
^
1735
Jacob van Eijs
Jacob van Eijs koopt Allemansgeest en laat het oude hoofdhuis afbreken om een nieuw huis te bouwen op dezelfde plek.
Jacob van Eijs (1695-1739) koopt in 1735 de buitenplaats Allemansgeest. Jacob laat in de winter van 1737 het noordelijke “bouwhuis” langs de “hoge laan”(de huidige oprijlaan) neerzetten als koetshuis en paardenstal. Er is ook een, bijna symmetrisch, zuidelijk “bouwhuis” dat mogelijk een verbouwing is van een bestaand oud boerderijtje. Dit zuidelijke “bouwhuis” met stal diende als tuinmanswoning. Beide langwerpige bouwhuizen stonden aan de straatkant symmetrisch links een rechts van het oude hoofdhuis uit rond 1669.  Na enige twijfel te hebben gehad hakt Jacob van Eijs in 1739 de knoop door en laat het oude hoofdhuis afbreken en, met hulp van meestertimmerman Dirck Dijckerhoff (1690-1758) uit Den Haag, een nieuw huis bouwen op precies dezelfde plek. Het huis heeft een verdieping en een koepeluitbouw aan de voorkant van het huis.
^
1740
Pieter en Alexandrine Huguetan
Jeanne Chevallier, weduwe van Jacob van Eijs, verkoopt in 1740 de buitenplaats aan Pieter Huguetan en zijn zus Alexandrine Huguetan.
Niet lang na het overlijden van hun vader Pierre Huguetan sr. (1674-1740), een rijke bankier en uitgever, kopen Pieter Huguetan (1716- 1789), vrijheer van Vrijenho(e)ven, en zijn zus Alexandrine Huguetan (1715- 1760), waarschijnlijk met het geld van hun erfenis, de buitenplaats op een veiling. De Huguetan’s waren Hugenoten uit Frankrijk die naar Nederland waren gekomen na de intrekking van het edict van Nantes in 1685.
^
1745
Alexandrine Huguetan
Alexandrine Huegetan en haar man Hendrik Pieter Godfried Wecke kopen Pieter Huegetan in 1745 uit.
In 1745 koopt Alexandrine Huegetan (1715- 1760) samen met haar man Hendrik Pieter Godfried Wecke (1717-1752) haar broer Pieter uit, die als vrijgezel naar Engeland vertrok. Al eerder in 1743 had Hendrik P.G. Wecke voor ƒ 100,- het recht gekocht op de “Allemansgeest kerkbank” in de dorpskerk. Hij had dit recht overgenomen van Jacob van Eijs en mag er gebruik van maken zolang hij de buitenplaats in zijn bezit heeft.

In 1750 koopt het echtpaar de buitenplaats Cromvliet in Rijswijk en verkopen Allemansgeest in 1751.

^
1751
Jan van Rijckevorsel
Jan van Rijckevorsel, scheepsassuradeur te Amsterdam en koopman van de V.O.C., wordt eigenaar van Allemansgeest.
In 1751 wordt Jan van Rijckevorsel (1706-1775) eigenaar van buitenplaats Allemansgeest. In de koopakte staan nu ook alle behangsels, spiegels, schilderijen en het “Horlogie” (uurwerk) in de gevel vermeld. Tevens een beeld achter bij de vijver en andere attributen. Zou dit beeld op de 18de-eeuwse sokkel (postement) hebben gestaan die nu nog (gehavend)  bij de vijver staat? Het landgoed brengt ƒ 10.000,- op en nog eens ƒ 2.000,- extra voor alle toebehoren. Jan van Rijckevorsel was scheepsassuradeur te Amsterdam en koopman van de V.O.C.. In het wapen van de Van Rijckevorsels komen drie gouden (kik)vorsen voor, zij zijn immers “rijke vorsen”.
^
1753
Emmerentia Viruly-van Rijckevorsel
Emmerentia Viruly-van Rijckevorsel koopt de buitenplaats Allemansgeest van haar broer Jan. Ze breidt de buitenplaats uit met extra landerijen en twee boerderijen.
In 1753 koopt Emmerentia Viruly-van Rijckevorsel (1702-1763) de buitenplaats Allemansgeest van haar broer Jan. Zij was een jaar eerder weduwe geworden na het overlijden van haar man Jan Viruly (1699-1752) die koopman was in verfwaren te Rotterdam. In hetzelfde jaar koopt ze ook nog de boerderij “Rustwat” aan de Vliet, het huidige restaurant Allemansgeest. Met deze laatste aankoop is Emmerentia vanaf 1753 verantwoordelijk geworden voor het in stand houden van het veer bij de boerderij. Er zijn tarieven vastgesteld voor overdag en s’avonds (dubbel tarief). Verder zijn er tarieven voor volwassenen, kinderen, paarden en koebeesten etc. Voor beesten die bij het veer zwemmend naar de overkant gaan wordt alsnog het tarief in rekening gebracht! De Schout en andere belangrijke bestuurders hoeven uiteraard niets te betalen. Emmerentia is rond 1763 verantwoordelijk voor de bouw van de (thee)koepel op de oude kelder van boerderij “Rustwat” die nu nog aanwezig is.
^
1763
Johanna Viruly
Johanna Viruly, in 1752 getrouwd met mr. Francois Beeldemaker, erft Allemansgeest van haar moeder.
Dochter Johanna Viruly (1729-1766) wordt in 1763 eigenaar van de buitenplaats. Zij was 1752 getrouwd met mr. Francois Beeldemaker (1727-1774) secretaris van het Hoogheemraadschap van Schieland.  Zij vierden hun bruiloft op de buitenplaats Alle(r)mansgeest. Helaas is Johanna niet erg oud geworden en overlijdt in 1766 te Rotterdam op 37-jarige leeftijd. Zij liet 5 minderjarige kinderen na
^
1766
Francois Beeldemaker
Mr. Francois Beeldemaker erft Allemansgeest na het overlijden van zijn vrouw en investeert in de buitenplaats door aankoop van grond.
Nadat Johanna Viruly overleed in 1766, bleef haar man, mr. Francois Beeldemaker (1727-1774), achter met vijf minderjarige kinderen en werd hij tegelijkertijd een welgestelde weduwnaar. Nog in hetzelfde jaar hertrouwde hij in Rotterdam met Maria Cornelia des Amorie (1741-1807), die oorspronkelijk uit Haarlem kwam. In eerste instantie bleef hij investeren in de buitenplaats door grond aan te kopen, maar uiteindelijk verkocht hij de buitenplaats in 1772 aan zijn schoonzus, Susanna Margaretha des Amorie (1728-1814).
^
1772
Susanna Margaretha des Amorie
Susanna Margaretha des Amorie, de zus van Maria Cornelia des Amorie, de tweede vrouw van mr. François Beeldemaker, koopt de buitenplaats.
Op 4 januari 1772 koopt Susanna Margaretha des Amorie (1728-1814) de buitenplaats. Zij is de zus van Maria Cornelia des Amorie, de tweede vrouw van mr. François Beeldemaker. In de verkoopakte wordt melding gemaakt van veel ornamenten zowel in het park als in het huis. Zelfs een “brandspuijt” is bij de verkoop inbegrepen! Bij de verkoop blijkt dat de buitenplaats (landgoed) het centrum van een veel groter agrarisch bezit is geworden met ca. 40 morgen (iets minder dan 40 ha.) grond. Het park rond het huis is uitgebreid van 4 naar 8 morgen (c. 6,8 ha.). De bijbehorende boerenwoning (de huidige boerderij de Corneliahoeve) wordt in 1772 gepacht door Teunis Jansz. van Leeuwen. Ook de boerderij “Rustwat” aan de Vliet (nu restaurant Allemansgeest) met een ‘stenen koepel’ en met het schouw (het veer) behoort tot het landgoed.
^
1777
Johanna Catharina à Marck
Johanna Catharina à Marck, in 1754 gehuwd met Mr. Nicolaes van Banchem, raadslid en oud burgemeester van Leiden, koopt de buitenplaats voor 54.200 gulden.
In 1777 koopt Johanna Catharina à Marck (1730-1801) het landgoed voor 54.200 gulden. Zij is in 1754 gehuwd met mr. Nicolaes van Banchem (1726-1781), raadslid en oud-burgemeester van Leiden. In 1778 vraagt Van Banchem een vergunning aan voor de bouw van een “schuijtenhuijs“ aan den mond van de Oude Vliet onder Voorschoten min of meer naast de oude boerderij. Op het bijbehorende kaartje wordt de boerderij (nu restaurant Allemansgeest) Allemans geest genoemd. Dit is de oudst bekende vermelding van deze naam voor de boerderij. Na het overlijden van haar man hertrouwt Johanna in 1783 met mr. Matthijs Snoeck (1737-1788), kapitein der schutterij, weesmeester, veertigraad en schepen van Leiden en weduwnaar van Antonia Marcus (1734-1774). Hij woont op Rapenburg 23 maar na zijn huwelijk gaat hij in het huis van zijn vrouw wonen aan de Breestraat.

Tijdens de restauratie van het hoofdhuis in 2014, wordt er een los plankje gevonden in een loze ruimte boven de koepel aan de straatzijde van het huis. Op het plankje staan de namen geschreven van twee timmerlieden Willem van Wissen en Evert Visser uit Voorschoten met de toevoeging: “heeft deet gemaak al beij” anno 1785. Het is duidelijk dat in opdracht van Johanna Catharina à Marck een grote verbouwing en verfraaiing van het huis heeft plaatsgevonden. Aan de parkzijde van het hoofdhuis wordt een koepeluitbouw (de hal) toegevoegd met links en rechts van de hal nieuwe kamers zowel op de begane grond als op de 1ste verdieping. Het huis is verhoogd met een borstwering met kroonlijst en voorzien van een compleet nieuw dubbel zadeldak met “lantaarn” (daklicht).

In 1788 maakt Jacob Timmermans (1751-1829) een ingekleurde tekening van de voorkant van het hoofdhuis. Het is de oudst bekende afbeelding van de buitenplaats. Hierop zijn de bijgebouwen (bouwhuizen) aan de straatkant duidelijk te zien (zie ook onder Jacob van Eijs).

^
1801
Johan Petrus Pompe van Meerdervoort
Tijdens een openbare veiling in 1801 koopt jhr. mr. Johan Petrus Pompe van Meerdervoort de buitenplaats Allemansgeest. Hij geeft in 1803 landschapsarchitect Jan David Zocher Sr de opdracht om een nieuwe tuin te ontwerpen en te beplanten.
In 1801 vindt een openbare veiling van de buitenplaats Allemansgeest plaatsJhr. mr. Johan Petrus Pompe van Meerdervoort (1767-1828) gehuwd met Henriette Elizabeth Gijsberti Hodenpijl (1770-1846) koopt de buitenplaats met 9 morgen en 50 roeden (~ 9 ha.) grond. Bij dit kavel hoort ook nog de boerderij aan het wedde aan de Vliet (huidige restaurant Allemansgeest). Daarnaast koopt hij nog twee andere kavels namelijk de Corneliahoeve en het huis met erve van “ouds genaamd St. Nicolaas”.  De drie kavels worden als volgt omschreven: ”Aanzienlijk welgelegen hofstede voorzien van een extra-ordinaire sterke binnen weinige jaren geheel vernieuwde byzondere logeable huizinge”, een buitenplaats met stalling voor 11 paarden, koetshuis, tuinmanswoning, “biljard- en mangelkamer”  en “tevens een huysmanswoninghe genaemd Allermansgeest (nu restaurant Allemansgeest) met erve, stallinge, kaarnmolen en steene coupel en schuitenhuis, schouw tot overvaert aan de Vliet met een partij weiland groot ongeveer 20 morgen (~ 20 ha.) ”. Een huis met erf met een houtakker daaraan vanouds genaamd St Nicolaas. Een huismanswoning (nu Corneliahoeve). “Tuin[…] welaangelegden plantagieen, bosschen, boomgaarden, vijvers, goudvischkom en beek, menagerie waaraan fraai salon, zeer geextendeerde moestuin, broeierij en genoegzaem nieuwe oranjerie, schuren en koepel, zeer wijd en onbelemmerd uitzigt hebbende”.

J.P. Pompe van Meerdervoort geeft landschapsarchitect Jan David Zocher Sr (1763-1817) in 1803 de opdracht voor een nieuwe tuin aanleg. De totale kosten bedragen 2500 gulden en Zocher is verantwoordelijk voor zowel het ontwerp als de beplanting. Er is helaas geen Zocher Sr. ontwerptekening van het park bewaard gebleven. Van 1811- 1813 was Pompe van Meerdervoort burgemeester van Voorschoten en van 1813-1817 president van het plaatselijk bestuur. De buitenplaats huisvestte van 1811-1817 het gemeentehuis (“Bureau de Mairie”) van Voorschoten.

Alexander Allard de la Court (1784-1839) een neef van J.P. Pompe van Meerdervoort schrijft in 1832 een lofdicht op Allermansgeest in 1809”. In het lofdicht komt o.a. de brug van Berbice aan bod; “Van twee hoge oevers verheft zich, bijna zonder dikte, elastisch, gebogen zonder balk, pijler, ondersteuning  noch leuning” (zie het boek “Begeerlijk Berbice). Kortom deze omschrijving van de oorspronkelijke brug van Zocher Sr.  komt heel sterk overeen met de huidige brug.

^
1822
Hendrik Staal
Hendrik Staal en Catharina Kip, naar Nederland teruggekeerd uit de kolonie Berbice, kopen de buitenplaats Allemansgeest en veranderen de naam in Berbice.
In 1822 wordt de hofstede Allermansgeest verkocht aan Hendrik Staal (1782-1824) en zijn vrouw Catherina Christina Kip (1789-1850). Het gaat nu om een zeer aanzienlijke en welgelegen hofstede genaamd “Allemansgeest ” met stalling voor 11 paarden, veelvuldig meest behangen kamers, uurwerk met heel en halfslag, koetshuis etc. Er is ook een Vinkenbaan gelegen achter de hofstede en een “eigen bank” in de Gereformeerde kerk. Ook de twee boerenwoningen de huidige Corneliahoeve en de boerderij Allemansgeest (huidige restaurant Allemansgeest), die al sinds 1753 bij het landgoed horen, worden overgenomen.

Mogelijk door de zwakke gezondheid van Hendrik Staal zijn zij rond 1819 uit de kolonie Berbice (naast Suriname nu deel van Guyana) naar Nederland teruggekeerd en tijdelijk in Haarlem gaan wonen. Hendrik Staal en Catharina Kip hebben de naam van de hofstede Alle(r)mansgeest vanaf het allereerste moment dat ze in Voorschoten gingen wonen veranderd in Berbice. Het is de naam van hun geliefde kolonie die, afgezien van de familiebanden, de basis is geweest van hun welvaart. Hendrik Staal hield zich bezig met aan de slavernijhandel gerelateerde activiteiten (executeur, zaakgelastigde en advocaat). Zij bezaten zelf 5 slaven voor in en om het huis in Berbice. Hendrik Staal heeft niet lang van zijn hofstede kunnen genieten. Hij overlijdt in 1824 op de hofstede slechts 42 jaar oud.

^
1824
Catharina Kip-Staal
Catharina Kip erft de buitenplaats Berbice na het overlijden van haar man in 1824 en verhuurt de buitenplaats in 1827 aan jhr. Johannes Goldberg die daar tot zijn dood in 1829 woonde.
Na het overlijden van Hendrik Staal wordt “Berbice voorheen Alle(r)mansgeest” in 1826 in een aantal advertenties te koop aangeboden maar vooralsnog niet verkocht. In 1827 wordt Berbice te huur aangeboden en worden roerende goederen ter verkoop aan geboden waaronder een grote forte-piano en een char-a-banc (een rijtuig, janplezier). Uiteindelijk werd de hofstede Berbice verhuurd aan jhr. Johannes Goldberg (1763-1828), die daar tot zijn dood woonde. Na een succesvolle politieke loopbaan werd Goldberg in 1818 benoemd tot lid van de Raad van State en verheven tot de adelstand. Het is aannemelijk dat Hendrik Staal en Catharina Kip bekend waren bij Goldberg. Als directeur-generaal van het Departement van Koophandel en Koloniën was Goldberg betrokken bij de overdracht van de kolonie Berbice aan Groot-Brittannië in 1815. Tijdens de onderhandelingen met de Britten moest Goldberg de belangen van de eigenaars, waaronder die van Hendrik Staal, behartigen.

Een half jaar voor zijn overlijden hertrouwt Goldberg met zijn 30-jaar jongere vriendin Geertruij Maria Jongkindt (1793-1869). Hij had grote financiële problemen en deed, volgens zijn zus Engelina Johanna Goldberg (1770-1833), het voorkomen dat hij de eigenaar was van Berbice.

^
1829
Dirk Dorrepaal
Dirk Dorrepaal, eigenaar van de aangrenzende buitenplaats Adegeest, koopt de buitenplaats Berbice en verkoopt die alweer na 6 maanden.
Na het overlijden van zijn vader Willem Dorrepaal in 1826 erfde Dirk Dorrepaal (1796-1868), die oorspronkelijk uit Katwijk kwam, diens bezittingen, waaronder de buitenplaats Adegeest. In 1829 besloot hij om de aangrenzende buitenplaats Berbice te kopen. De weduwe Staal-Kip bleef echter eigenaar van de Corneliahoeve.

Dirk Dorrepaal, cargadoor te Antwerpen en Rotterdam, verkoopt de buitenplaats 6 maanden later alweer door. Wat zijn oorspronkelijke bedoeling met het buiten is geweest is niet meer te achterhalen.

^
1829
Adriana Agatha Cau
Jonkvrouw Adriana Agatha Cau, die samen met haar man Daniel van Halteren kasteel Duivenvoorde als buitenhuis huurde, koopt na het overlijden van haar man de buitenplaats Berbice inclusief de boerenwoning aan de Vliet.
In 1829 wordt jonkvrouw Adriana Agatha  Cau (1777-1836) de nieuwe eigenaar van Berbice inclusief de boerenwoning aan de Vliet (nu restaurant Allemansgeest). Ze was net een jaar daarvoor weduwe geworden van Mr. Daniël van Halteren (1771-1828), heer van Vrijenes en Sluipwijk, grijnfabrikant te Leiden, president van de Rechtbank in Eerste aanleg in Leiden. De weduwe van Halteren-Cau spendeerde veel geld aan de verfraaiing van de tuin met bloemen en planten maar ook aan het onderhoud van de gebouwen werd aandacht besteed.

In 1836 overlijdt Adriana Cau op haar buitenplaats Berbice. De afhandeling van de erfenis duurt 2 jaar en pas in 1838 wordt Berbice per boedelscheiding toegewezen aan haar dochter Francina Diderica van Halteren (1808-1894).

^
1838
Francona Diderica van Halteren
Jonkvrouw Francona Diderica van Halteren erft de buitenplaats Berbice van haar moeder Adriana Agatha Cau.
In 1838 erft jonkvrouw Francona Diderica van Halteren (1810-1894) de buitenplaats Berbice. Zij is in 1830 gehuwd met mr. Albert Otto Ernst Grave van Limburg Stirum, (1803-1858). Als wethouder van Leiden is hij verantwoordelijk voor de bouw van de eerste stedelijke gasfabriek en hij treedt doelmatig op bij de bestrijding van cholera-epidemieën in Leiden. Hij is burgemeester van Leiden van 1851-1855.

Er zijn (minimaal) twee huurders geweest in de periode dat Francona Diderica van Halteren-Cau het landgoed in bezit heeft. In 1848 huurt Jan Willem van Musschenbroek (1802-1878) het landgoed. Hij is gehuwd met jonkvrouw Anne de Mey van Streefkerk (1801-1873). Het is niet duidelijk hoelang zij de buitenplaats hebben gehuurd maar in 1849 stond het landgoed even te koop en in 1853 stond het landgoed “geschikt als zomer- en winterverblijf” weer te huur.

Van 1854 tot 1857 huurt Frans (Boudewijn Franciscus) Krantz (1806–1878) het buiten van Francona Diderica van Halteren. Zijn firma “Krantz & Zoon te Den Haag” had ook een lakenfabriek te Leiden. Het is mogelijk dat hij een gezondere en meer rustgevende omgeving buiten Leiden zocht en Berbice huurde i.v.m. de slechte gezondheid van zijn vrouw Maria Antoinette Kist (1815-1856). Volgens zijn kasboek betaalde hij 100 gulden huur per maand. In 1856 komt Maria Antoinette te overlijden op Berbice.

^
1856
Ariena Didrika Fortuyn Harreman
Ariena Didrika Fortuyn Harreman, eigenaar van Beresteyn, koopt in 1856 met haar man Frederik Hendrik van Iterson de buitenplaats Berbice terwijl die op dat moment nog verhuurd is aan de familie Krantz-Kist.
Ariena Didrika Fortuyn Harreman (1819-1867) was huishoudster van de vrijgezelle rentenier Willem Frederik Christ (1789-1853) op de naastgelegen buitenplaats Beresteyn. Na het overlijden van Christ in 1853 erfde Ariena als universele erfgename een flink vermogen, inclusief Beresteyn. Een jaar later trouwde Ariena in Voorschoten met Frederik Hendrik van Iterson (1816-1887). Hij was een goede bekende van van Limburg Stirum, omdat van Iterson de huisonderwijzer was geweest van zijn kinderen. In 1856 koopt het echtpaar de buitenplaats Berbice. Het hoofdhuis wordt op dat moment nog verhuurd aan de familie Krantz-Kist.

Op de dag van aankoop plaatst van Iterson een advertentie in de krant om de bouwhuizen (koetshuis en tuinmanswoning) van Berbice te laten afbreken en om de bouwmaterialen voor hergebruik te verkopen. Hij liet ook in 1856 een nieuw koetshuis (met gevelsteen D:F:H:C: van Iterson 1856) bouwen achter de zilverfabriek aan de huidige Benvenutolaan No 8. Voor de tuinman is waarschijnlijk ook in 1856 een nieuwe, nu nog bestaande, tuinmanswoning gebouwd in het linker gedeelte van de oranjerie (de voormalige ‘voor-orangerie’).

^
1857
Johannes Mattheus van Kempen III
Johannes Mattheus van Kempen III, zilversmid, ondernemer en fabrikant, koopt de buitenplaats Berbice samen met een aan de straatweg gelegen stuk grond van de buitenplaats Beresteyn.
In 1857 koopt Johannes (Jan) Mattheus van Kempen III (1814-1877), “fabrijkant in Gouden en Zilveren werken” de buitenplaats Berbice samen met een aan de straatweg gelegen stuk grond van de buitenplaats Beresteyn. In 1858 vindt de bouw en opening plaats van de (Koninklijke) Nederlandsche fabriek van Goud en Zilveren Werken J.M. van Kempen & Zonen. De fabriek is in Neo-Classisistische stijl ontworpen door Johannes Jacobus Delia (18161898) die veel huizen in het Willemspark van Den Haag heeft ontworpen. De fabriek is aanbesteed voor ƒ 18.500,- aan de timmerlieden de gebroeders Yperlaan. Het inrijhek van de zilverfabriek is ontworpen in jugendstil stijl door J. J. Warnaar (1868-1960), een vaste werknemer van de fabriek en in 1909 gemaakt door de firma F.W. Braat te Delft. Het is door het voltallige personeel geschonken ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de fabriek (1835-1910).

In 1877 overlijdt Jan M. van Kempen III  te Voorschoten. Ooit in Utrecht begonnen met een eenvoudige zilversmederij laat hij een internationaal bekend bedrijf na. Vele onderscheidingen van vorsten vielen hem ten deel. Hij was Officier van de orde van de Eikenkroon, Ridder van de Stanislaus orde van Rusland en van de Frans Josef’s orde van Oostenrijk.

^
1878
Gebroeders van Kempen
Lodewijk Johan Sigismund van Kempen, Anthonius Everdinus van Kempen en Johannes Mattheus van Kempen IV erven Berbice, Beresteyn en de Zilverfabriek.
In 1878 erven de zonen van Jan van Kempen III, Lodewijk Johan Sigismund van Kempen (1838-1910), Anthonius Everdinus van Kempen (1843-1902) en Johannes (Jan) Mattheus van Kempen IV (1855-1931)  Berbice, Beresteyn en de Zilverfabriek. Anthonius Everdinus krijgt de buitenplaats Beresteyn die hij vervolgens in 1882 verkoopt aan zijn stiefbroer Jan M. van Kempen IV.

In 1882 werd een enkelsporig stoomtram tracé vanaf het Noordeinde in Leiden via de Vink en de Zilverfabriek naar Voorschoten in gebruik genomen.

Anthonius Everdinus woont vanaf 1890 tot zijn dood in 1902 in Leiden. Hij was o.a. in 1892 lid van de Leidse gemeenteraad en sinds 1894 lid van de Provinciale Staten van Z.H. en na 1897 Tweede Kamerlid voor de Anti-Revolutionaire partij (ARP).

In 1892 brengt de jonge 12-jarige H.M. koningin Wilhelmina (1880-1962) en koningin-regentes Emma (1858-1934) een koninklijk bezoek aan de zilverfabriek.

^
1892
Johannes Mattheus van Kempen IV
Na de boedelscheiding in 1892 wordt, Jan van Kempen IV, de nieuwe eigenaar van buitenplaats Berbice. In 1893 laat hij een portierswoning naast de hoofdentree bouwen.
In 1892 wordt, na de boedelscheiding, Jan van Kempen IV, lid van de raad van Voorschoten, de nieuwe eigenaar van buitenplaats Berbice.

Een jaar later in 1893 verhuist Jan van Kempen IV (1855-1931) van de buitenplaats Beresteyn waar hij vanaf 1882 heeft gewoond en waar zijn eerste vier kinderen worden geboren, naar Berbice. Beresteyn wordt verhuurd aan Hendrik Hermanus Gerrit Wullings (1869-1936) die in Beresteyn het ‘Instituut Wullings’ vestigde, een chique jongenskostschool met een HBS-opleiding (ps: Uiteindelijk verkoopt hij in 1909 Beresteyn aan Wullings). Ook in 1893 laat Jan van Kempen IV de huidige portierswoning bouwen in chaletstijl (Leidseweg 223). De gevelsteen wordt op 17-3-1893 gelegd door zijn dan 2-jarig zoontje Auguste van Kempen (1891-1971).

In 1895 wordt er een veranda (later >1902 een serre) aan het hoofdhuis gebouwd. De datum en de timmerlieden die het werk hebben uitgevoerd zijn bij de restauratie van 2015 teruggevonden op de tussenbalken van het plafond. Volgens de verhalen zou de veranda speciaal voor dochter Rosette Van Kempen (1898-1921) zijn gebouwd die tuberculose had en in de frisse lucht moest kuren. Kijkende naar de datum van de aanbouw was de veranda er dus al voor de geboorte van Rosette.

In 1919 fuseren de zilverfabrieken van Van Kempen (Voorschoten), Begeer (Utrecht) en Vos (Rotterdam). Carel J.A. Begeer (1883-1956) wordt de nieuwe voorzitter. Na de fusie zijn er maar liefs 11 directeuren hetgeen niet lang goed is gegaan. Carel Begeer was al in 1913 gehuwd met jonkvrouw Henriette Dorothea von Weiler (1890-1976), die in december 1913, als een van de weinige vrouwen van haar tijd, promoveert tot doctor in de rechtswetenschappen. Uit het huwelijk worden vijf kinderen geboren. In 1920 verhuist het gezin van Utrecht naar Wassenaar waar Carel Begeer op de Groot Hasebroekseweg 2 de moderne villa “De Vosjes” laat bouwen. Mevr. Begeer is in Wassenaar maatschappelijk actief en richt o.a. de lagere school op in de Kieviet in Wassenaar.

^
1922
N.V. Koninklijke Nederlandsche Edelmetaal Bedrijven Van Kempen, Begeer & Vos
De buitenplaats wordt verkocht aan de N.V. Koninklijke Nederlandsche Edelmetaal Bedrijven Van Kempen, Begeer & Vos. Het hoofdhuis wordt in 1926 ingericht als toonzaal.
In 1922 wordt de buitenplaats verkocht aan de Koninklijke Nederlandsche fabriek van Goud- en Zilverwerk, later de N.V. Koninklijke Nederlandsche Edelmetaal Bedrijven Van Kempen, Begeer & Vos (K.N.E.B).

Er vindt een reorganisatie van de Zilverfabriek plaats die nu “Van Kempen en Begeer” gaat heten. De Van Kempen’s verdwijnen uit het bestuur van de fabriek.

Jan van Kempen IV vertrekt in 1925 min of meer gedwongen met zijn gezin van de buitenplaats en gaat in Den Haag (Marlot) wonen. De zilverfabriek wil het hoofdhuis als toonzaal gaan gebruiken en als zodanig inrichten. Vanaf 1926 tot 1936 wordt het hoofdhuis als toonzaal gebruikt en een foto in het huisarchief geeft een beeld van de serre vol met toonkasten met zilvergoed.

In 1924 wordt in opdracht van Carel Begeer door architectenbureau J.J. (Co) Brandes (1884-1955) een plan gemaakt voor een villapark op Berbice. Gelukkig is dit plan door onbekende redenen niet doorgegaan.

In 1929 is er een schoorsteenbrand uitgebroken op de benedenverdieping van het hoofdhuis. Een paar kamers hebben water- en brandschade opgelopen. Volgens een krantenbericht heeft burgemeester E. Vernède (1864-1939) zich persoonlijk op de hoogte gesteld van de situatie. De brand heeft mogelijk de meeste Chinoiserie bespanningen van de grote eetkamer onherstelbaar beschadigd. Omdat het hoofdhuis door de K.N.E.B. als showroom werd gebruikt, is het herstel (en modernisering) van de salon, de grote en de kleine eetkamer snel ter hand genomen. Het is aannemelijk dat toen alle oude bespanningen uit deze drie kamers zijn gefotografeerd voor de verkoop (zie huisarchief Berbice) en vervolgens verwijderd en vervangen door de (nog) huidige (2023) “moderne” wandbekledingen. In 1930 zijn de oude bespanningen te koop aangeboden en waarschijnlijk verkocht naar Frankrijk.

In het najaar van 1929 kon de toonzaal alweer gebruikt worden voor het Koninklijk bezoek van Prinses Juliana (1909-2004). Zij wordt, met haar gevolg, ontvangen door de directeur van de fabriek de heer Begeer voor een rondleiding door de fabriek. “In de ontvangzaal van het huis Berbice is thee aangeboden. Ook heeft men daar toonkamers bezocht, waarin verzamelingen antiek en modern zilver, penningen, brons-plastiek en kunstnijverheidsartikelen zijn tentoongesteld.”

^
1937
Carel Joseph Anton Begeer
Carel Begeer, lid van de raad van Bestuur, koopt de buitenplaats Berbice en maakt het hoofdhuis van een toonzaal weer een woning .
In 1937 verkoopt de K.N.E.B. de buitenplaats Berbice (gedeeltelijk) aan Carel Begeer (1883 – 1956) lid van de raad van Bestuur. Het huis wordt geschikt gemaakt voor bewoning en niet langer als showroom gebruikt. Door de algemene economische crisis waren het moeilijke jaren voor de zilverfabriek. Pas in 1937 kon er weer dividend worden uitgekeerd.

In 1940 wordt de “kleine vijver” in het park gedempt. Kenners van de tuinarchitect Jan David Zocher Sr. (1763-1817) gaan ervan uit dat deze vijver onderdeel was van Zocher’s tuinontwerp uit 1803. Hij kreeg toen de opdracht van eigenaar J.P. Pompe van Meerdervoort (1767-1828) om het park van Berbice, toen nog Allemansgeest geheten, te moderniseren.

De vijver moet bijna 140 jaar hebben bestaan maar is zeer waarschijnlijk kort na 1940 gedempt. Het dempen van de kleine vijver was een direct gevolg van het door de gemeente Voorschoten dempen van de sloot langs de Leidseweg om deze weg te kunnen verbreden. Het toegangshek van Berbice is toen ook naar achteren verplaatst en de smalle Nicolaasbrug (hoek Leidseweg en de Hofweg) afgebroken. Tenslotte is de “kleine vijver” gedempt omdat de vijver via een houten duiker, afhankelijk was van het water uit de sloot.

In 1948 draagt Carel J.A. Begeer het directeurschap over aan zijn zoon Sebastiaan (Bas) Anthonie Carel Begeer (1922-1998) maar hij blijft tot zijn dood in 1956 nauw betrokken bij de fabriek. In 1954 laat Bas Begeer een “flat” (appartement) op de eerste verdieping van het hoofdgebouw van Berbice bouwen.

^
1956
Henriëtte Dorothea Begeer-von Weiler
Jkvr. dr. Henriëtte Dorothea Begeer-von Weiler erft Berbice na het overlijden van haar man Carel Begeer in 1956.
Jkvr. dr. Henriëtte Dorothea Begeer-von Weiler (1890-1976) erft Berbice na het overlijden van haar man in 1956. Henriëtte was in december 1913 in Utrecht gepromoveerd tot doctor in de rechtswetenschappen en dat was voor een vrouw in die tijd een grote bijzonderheid. Ze sprak net als haar man Carel Begeer, met wie ze op 21 augustus 1913 trouwde, meerdere talen, volgde colleges in filosofie en studeerde kunstgeschiedenis.

In 1962 worden door Rijkswaterstaat plannen gemaakt voor de aanleg van de rijksweg 4b (de voorloper van de N11 en later de Rijnlandroute) die Voorschoten in tweeën zou gaan delen en dwars door het landgoed Berbice was geprojecteerd. Mej. Rudolpha Jacoba Maria Begeer (1914 – 2009), de oudste dochter van Henriëtte Begeer-von Weiler heeft, toen ze rond 1966 weer op Berbice woonde, meer dan 40 jaar, tot aan haar dood, te vuur en te zwaard gestreden tegen de plannen.

In 1964 is de erfdienstbaarheid (servituut) uit 1917 van vrij uitzicht over de zichtas “naar den duinen” door de gemeente Voorschoten in drie delen (1964,1966, en 1969) afgekocht. De afkoop houdt verband met de bouw van de woonwijk Adegeest en de aanleg van de sportvelden. Een tweede servituut, ook uit 1917, dat het recht van vrij uitzicht regelt aan de voorkant van het huis, richting de Vliet, is nog steeds rechtsgeldig.

In 1968-1969 vindt de aanleg plaats van de rozentuin onder leiding van mej. Begeer. Het ontwerp is van Wiert Jan Berghuis (1924-2016) met aanpassingen door mej. Begeer zelf. De prachtige rozentuin werd met opzet aangelegd op de door de N11 plannen meest bedreigde deel van de buitenplaats!

In 1976 overlijdt Henriëtte Begeer-von Weiler in Duitsland toen ze op bezoek was bij haar dochter Carla Begeer (1916-2016).

^
1977
Rudolpha Jacoba Maria Begeer
Mej. Begeer maakt als oudste dochter gebruik van haar voorkeursrecht en koopt uit de boedel het hoofdhuis met portierswoning. Ze richt in het jaar 2000 de Stichting tot Behoud van Cultuurhistorische Buitenplaatsen op.
Mej. Rudolpha Jacoba Maria Begeer (1914-2009) was de oudste dochter van Carel Begeer en Henriëtte von Weiler. Ze heeft in Brussel kunstgeschiedenis gestudeerd aan het ‘Institut Royal d’Histoire de l’Art et d’Archéologie de Bruxelles’, waar ze cum laude haar titel behaalde in 1952. Ze bleef geruime tijd in Brussel wonen waar ze zich voornamelijk bezighield met de handel in Oude Kunst. Daarvoor reisde ze door heel Europa om veilingen te bezoeken. In haar latere leven wilde ze graag mejuffrouw Begeer genoemd worden. De naam Rudolpha vond ze maar niks.

In 1966 keerde ze terug naar Nederland na een skiongeluk waarbij ze haar been op drie plaatsen had gebroken en complicaties optraden. Ze nam haar intrek bij haar moeder op Berbice, waar het meer dan twee jaar duurde voordat ze weer enigszins kon lopen. Gedurende deze periode van beperkte mobiliteit ontwikkelde ze een passie voor de buitenplaats. Vanaf die tijd verleende ze ook steun aan andere monumentale gebouwen en historisch groen in Voorschoten. Als fervent voorvechter van het behoud van historische gebouwen en groene ruimtes in Voorschoten was ze mede-initiatiefnemer van de Vereniging tot Behoud van Oud, Groen en Leefbaar Voorschoten in 1971. Deze vereniging speelt nog steeds een belangrijke rol in de gemeenschap van Voorschoten.

Na het overlijden van haar moeder in 1976 gebruik van haar voorkeursrecht en koopt uit de boedel het hoofdhuis en de portierswoning. Al eerder, in 1973, had zij van haar moeder de oranjerie met de door haar zelf aangelegde rozentuin gekocht. Door haar inspanningen werd in 1991 de buitenplaats met hoofdhuis, portierswoning, oranjerie en park aangemerkt als Rijksmonument en als zodanig beschermd.

In het jaar 2000 richt mej. Begeer de Stichting tot Behoud van Cultuurhistorische Buitenplaatsen op. Het doel van de stichting is de instandhouding van de gehele buitenplaats en het behoud van de cultuurhistorische waarden op deze buitenplaats voor toekomstige generaties.

In 2009 overlijdt op 94-jarige leeftijd mej. Begeer. Ze laat zich begraven, als laatste daad van verzet tegen de N11 (nu Rijnlandroute), op haar buitenplaats aan de rand van de rozentuin op het meest bedreigde stukje land van haar buitenplaats.

^
2009
Stichting tot Behoud van Cultuurhistorische Buitenplaatsen
De Stichting tot Behoud van Cultuurhistorische Buitenplaatsen erft de buitenplaats van Mej. Begeer.

In 2009 wordt de Stichting tot Behoud van Cultuurhistorische Buitenplaatsen eigenaar van de buitenplaats. Mej. Begeer had deze stichting al bij leven opgericht om, na haar dood, haar levenswerk voort te zetten. Kort samengevat is de opgave waar de stichting voor staat het restaureren en het behouden van de gehele buitenplaats Berbice en het herbeleven, beleven en doorgeven van zijn rijke kunst- en cultuurhistorie. Op 1 juni 2024 is de naam van de stichting gewijzigd in Stichting Buitenplaats Berbice.

Historische tijdlijn